Professor Cliteur en de rol van academici in het publieke debat

Miko Flohr, 03/08/2017

Ik heb ergens een zwak voor mensen met intrinsieke maatschappelijke bevlogenheid. Of ik het nu met ze eens ben, of niet—vanuit de grond van je hart iets vinden over deze wereld en daar serieus werk van maken is iets dat uiteindelijk veel te weinig mensen gegeven is. Op een bepaalde manier had ik dan ook altijd wel respect voor Paul Cliteur. Zijn ideologische positie is niet de mijne, maar hij zorgt voor zover ik dat kan zien goed voor zijn idealen, heeft een substantiële groep mensen om zich heen verzameld, en draagt al jaren bij aan allerlei debatten. Cliteur regelde eigenhandig geld voor de promotie van Machteld Zee (van anonieme donoren), en stond als promotor en aanjager aan de basis van de carrière van Baudet. Daar valt heel veel over te zeggen, maar volgens mij handelt Cliteur daarin vanuit een oprecht ervaren, intrinsieke, persoonlijke motivatie, en gebruikt hij volkomen legitieme middelen. Ik heb daar, ergens, oprechte bewondering voor: als je vanuit bevlogenheid school wil maken op het kruispunt van academie en samenleving, dan is Cliteur op praktisch niveau in vele opzichten simpelweg een voorbeeld. In principe.

Het is ook belangrijk dat wetenschappers zich uitspreken over de wereld buiten hun academische niche. Dat levert van meerdere kanten weerstand op—buitenstaanders horen je liever praten over zaken waar je ‘echt iets van weet’, en ook onder academici is er terughoudendheid om als academicus stelling te nemen over (politiek) gevoelige onderwerpen. Ik ben zelf lang bang geweest (en anderen voor mij) dat al die uitgesproken meningen, publiekelijk uitgevent op allerlei platforms een nagel aan mijn academische doodskist zouden worden. Het is niet zo gelopen gelukkig, maar het was ook een bewuste keuze om het niet te laten—niet alleen wegens apert burgerschap, maar ook omdat je juist als academicus vanuit belezenheid en ervaring soms argumenten kan aanleveren die ertoe doen. Er is geen enkele reden om daarin terughoudend te zijn: daarvoor ben je opgeleid als wetenschapper, en dat overstijgt specialisatie en vak. Het debat wordt beter als intellectuelen ook meedoen.

Ik denk alleen wel dat er aan academici terecht hogere eisen worden gesteld, zeker als ze—zoals Cliteur nu min-of-meer wekelijks doet—opiniestukken schrijven met een nadrukkelijk beroep op hun academische titel. Niet aan die eisen voldoen slaat bovendien terug op de hele beroepsgroep: een flink deel van het sociale kapitaal van ‘de academie’ staat of valt met de bijdragen die wij, academici, leveren aan allerlei maatschappelijke debatten. In dat licht maak ik me zorgen over de recente bijdragen van Cliteur en niet omdat hij een ideologische positie inneemt die niet verdedigd zou mogen worden, maar omdat hij bij voortduring vertrekt vanuit feiten en aannames die de toets der kritiek—to put it mildly—maar matig kunnen doorstaan. Ik geef drie voorbeelden.

In zijn stuk van 2 augustus over ‘occidentofobie’ rept Cliteur over een wijdverbreide ‘haat jegens wat we zijn’ zonder te specificeren hoe wijdverbreid die zelfhaat wel niet is, bij wie die zit, en hoe die zich concreet manifesteert in onze samenleving. Hij beweert dat die zelfhaat ons ‘zwak’ zou maken, maar legt niet uit hoe. Hij beweert dat ‘we’ denken dat onze cultuur relatief is omdat we vinden dat ‘alle culturen gelijk zijn’, maar vergeet daarbij schijnbaar dat dat op gespannen voet staat met de zeker in progressieve kringen brede populariteit van de universele (en dus absolute) rechten van de mens.

Eerder, in zijn column van 28 juli, introduceert Cliteur het begrip ‘racificatie’, en stelt dat we daar in onze samenleving in toenemende mate last van hebben: verzet tegen migratie zou en masse als ‘racisme’ worden betiteld, en ‘racificatie’ zou—ik moest twee keer kijken maar het staat er echt—door ‘people of color’ als carrièrestrategie worden gebruikt. Geen toelichting, geen namen, geen rugnummers. Geen onderbouwing—de lezer moet het doen met het humeur van Cliteur. Ik had zelf eerder het idee dat de verbale en argumentatieve uitwassen van sommige immigratiekritiek als ‘racistisch’ werden bestempeld, en niet zozeer het ‘verzet’ zelf.

In een recensie van Paul Nielsens ‘How to debate the Left on Islam’ (17 juli) rept Cliteur tenslotte over de ‘politiek-correcte islam-apologeet’—zijn taalgebruik maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een endemische diersoort die alomtegenwoordig is, en die in Nederland de facto het discours domineert. Argumenten ontbreken ten enen malen. Het is een beetje hallucinant, eigenlijk: ons integratiedebat wordt al jaren gedomineerd door conservatieve scherpslijpers, overheidsbeleid schuift alleen maar verder op naar rechts, en men blijft maar roepen dat de politiek correcte islamapologeten hier de dienst uit maken.

Nogmaals: wat stoort is niet de ideologische positie—laat Cliteur vooral met goede argumenten uitleggen hoe hij de wereld ziet. Wat stoort is het gebrek aan onderbouwing van essentiële basisaannames—denkt iedereen wel de dingen die Cliteur hen in het hoofd legt? Zijn wij progressieven allen islamapologeten? Vinden wij cultuurrelativisten echt allemaal dat er geen goed en kwaad bestaat in de wereld? Wordt het woord ‘racisme’ echt zo misbruikt? Ik herken daar vrij weinig van—noch bij mezelf, noch in mijn omgeving, noch in het debat als zodanig. Het lijkt erop dat Cliteur soms wel erg vrijelijk met andermans mening omspringt. Als collega-academicus stoor ik mij daaraan. Ik vind dat je van een academicus wat meer mag verwachten dan dit soort gemakzuchtige stropoppen, en ik hoop ook dat Cliteur zich, als hij dit soort stukjes schrijft, ten volle bewust is van niet alleen de academische vrijheid die wij allen zo hoog in het vaandel hebben, maar ook van de verantwoordelijkheid die het publiekelijk voeren van een doctorsgraad en een hoogleraarstitel met zich meebrengt.

Bij de opstand tegen de ‘linkse elite’

Miko Flohr, 12/02/2017

Ik was nooit zo van de elite, vond ik. De elite, dat waren zij daar, in hun dikke zwarte auto’s, met hun dikke portemonnee en hun dikke vinger in de pap. Vroeger, in dat dorp van weleer, waren we al helemaal niet van de elite. De elite, dat was het CDA, en dat waren wij thuis beslist niet. Wij, die van links, waren daar maar met weinig, en als er al eens iets in de lokale melk te brokkelen viel, dan was blijvend succes beslist niet vanzelfsprekend. Stapje vooruit, stapje terug, stapje opzij, en voor straf een concessie aan het CDA. Ik had een onbezorgde jeugd in het middelste huurhuis in een rijtje van drie, maar groeide op in de wetenschap dat progressieve waarden doe over mijn paplepel naar binnen gingen in de buitenwereld beslist geen gemeengoed waren. Niet in het Loon op Zand van Van Dun, niet in het Nederland van Lubbers, en al helemaal niet achter het Gordijn, of bezuiden de Mediterannée.

Ik vond het ook altijd maar raar, dat ze tegen onze gymnasiumklas maar bleven zeggen dat we de bloem der natie waren. Op zaterdag, in de kleedkamer, vonden ze dat hele Latijns vooral gelul – ik kon het niet eens praten! Op het veld werd gecommuniceerd in eenlettergrepige exclamaties, en op de training kreeg je gewoon een schop. Normaal doen, klootzak, en hier met die bal. Met progressieve praatjes over uitkeringen en vluchtelingen hoefde ik al helemaal niet aan te komen. Allemaal luilakken. Profiteurs en uitvreters. Geen plaats in de herberg. Het was 1992, en het land dat ik kende was rechts en conservatief. Ik niet.

Een paar jaar later ging ik het dorp uit, en de stad in. In Nijmegen werd het makkelijker om gelijkgezinden te vinden, maar de norm bleef waar hij altijd was geweest: rechts van het midden. De PvdA zat dan wel in het kabinet, en er gebeurden allerlei progressieve dingen rondom euthanasie en homohuwelijk, maar ondertussen regende het ronkende VVD-oneliners over de BV Nederland, en werd de samenleving vermarkt waar we bijstonden. Het was verfrissend dat we even van het CDA af waren, maar Nederland was niet opeens links geworden. De PvdA was rechts geworden. De elite, dat waren zij, daar rechts, en daar, links, lagen hun ideologische veren. Althans, zo zag ik het, destijds.

Ik studeerde af in het Nederland van Pim Fortuyn, en nog steeds was links niet aan de macht. Wel kregen ‘we’ opeens van van alles de schuld, niet in de laatste plaats van de moord op Fortuyn zelf, en werd er met steeds meer dedain gesproken over wereldvreemde linkse elites die blijkbaar bij voortduring allerlei controle hadden gehad over van alles en nog wat, en het land decennialang hadden verstikt onder een deken van politieke correctheid. Gezegd moest het allemaal worden, en gezegd werd het. Steeds vaker, steeds virulenter, en met steeds minder gevoel voor andere gezichtspunten. Het land was nooit bijster progressief geweest, maar de linkshaat klotste nu wel heel erg tegen de plinten. Althans, dat vond ik toen.

Het was 2003. Wist ik veel.

Inmiddels is het 2017 en extreemrechts bepaalt al vijftien jaar met veel succes de richting van het debat. Jaar na jaar zijn de grenzen opgeschoven. Er was een tijd, nog niet zo heel lang geleden dat we het hadden over ‘integratie’. Inmiddels gaat het allang niet meer over betere manieren om samen te leven, maar over het ‘terugveroveren’ van ‘ons land’ op een vijandige religie, over het sluiten van moskeeën, en over het afrekenen met de linksprogressieve elite. Geen idee meer waar deze waanzin ooit stoppen gaat.

Ik woon in een te klein flatje, en heb een klein baantje op de universiteit. We klagen niet, het is een topleven, maar een leven in de relatieve marge. Toch schijnt het zo te zijn dat ik bij ‘de elite’ hoor, en ik hoor steeds vaker dat ‘het volk’ binnenkort in opstand komt tegen mensen als ik – de zogenaamde ‘winnaars’ van de globalisering. Het heeft iets bizars, al die rechtse woede, deels afgevuurd vanuit comfortabele tweeondereenkappers en vrijstaande villas (terwijl ik al heel blij zou zijn met een rijtjeshuis). Vooral de stelligheid is verwarrend: je gaat het haast zelf geloven, dat wij, de linksprogressieven, de instituties van dit land al jaren aan onze zijde hebben.

Dat is niet zo. We leven in een rechts land, dat altijd al best wel rechts was, en de laatste jaren retorisch steeds verder naar rechts is opgeschoven – economisch, sociaal en cultureel. Wij, de linksprogressieven, zijn de uitdagers van de zittende macht. Dat waren we altijd al, en dat zijn we nog steeds. Het is makkelijk dat te vergeten als je virtueel besprongen wordt door een horde woedende PVV-ers of wordt gegaslight door de Wierd Duk van dienst, maar daardoor niet minder waar: de PVV groeit op de ontbindende kadavers van traditionele rechtse machtspartijen – het CDA voorop. Wilders is geen uitdager van de zittende macht. Hij is de zittende macht in zijn meest giftige, cynische gedaante. Hij zal bestaande problemen met ongelijkheid en segregatie dramatisch verergeren, niet oplossen. Hij is geen alternatief. Het enige echte alternatief voor de status quo ligt, al jaren, op links.

Vanuit die gedachte zal ik op vijftien maart stemmen. Het zal vast niet makkelijk worden, want het volk is rechts, en moet er niet veel van hebben, van al dat progressieve gedoe enzo. Maar, allejezus mensen, wat is het tijd voor verandering.

Best wel klaar met al die stropoppen over de multiculturele samenleving

Miko Flohr, 08/10/2016

Ik ben geen fervente tegenstander van de multiculturele samenleving – dat wist u vermoedelijk al. Wat u wellicht nog niet wist is dat ik eigenlijk ook niet echt een voorstander ben van de multiculturele samenleving. Misschien wel nooit geweest ook. Ik zou ook eigenlijk niet zo goed weten waar ik voor of tegen moet zijn – een samenleving is multicultureel of niet, en dat lijkt me in niet zozeer een ideaal, als wel een demografisch feit. Je kan dat mooi of lelijk vinden, maar het blijft eerst en vooral een feit. En over dat simpele feit heb ik niet zo’n sterke mening, eigenlijk. Het is zo.

Ik begreep ook niet waarom iedereen zo boos werd op Ella Vogelaar, toen ze tien jaar terug zei dat, op termijn, de islam deel van onze cultuur zou worden. Het leek me dat ze sprak over een simpele, op demografische gronden gebaseerde waarschijnlijkheid, niet over of zoiets wenselijk of onwenselijk was. Ik denk ook nog steeds dat ze gelijk heeft, trouwens, en ik denk dat het zogenaamde ‘islamdebat’ waar we nu al jaren middenin zitten een belangrijke eerste stap in die onvermijdelijke richting is. Maar dat terzijde.

Multiculturalistische wegkijkers? Nou…

Wat om die reden ronduit storend is zijn de onweersproken spookverhalen over zogenaamde ‘multiculturalisten’ die zouden menen ‘dat moslims gevrijwaard moeten blijven van kritiek omdat zij daarvan psychologische schade zouden ondervinden’. Misschien voel ik me te snel aangesproken door deze woorden van Machteld Zee uit het interview met Wierd Duk, maar in Nederlandse context gaat het bij ‘multiculturalisten’ bij uitstek over mensen van linksprogressieven huize – zoals ondergetekende (zie ook de subtiele hint van Ewout Klei in deze richting).

Kort en goed: dat vind ik helemaal niet. En als ik om me heen kijk vinden best wel heel veel mensen in mijn linksprogressieve kerk waar ik naar onze linksprogressieve hoogmis ga, pertinent niet dat moslims of de islam gevrijwaard zouden moeten blijven van kritiek. Kritiek hoort bij een open, multiculturele samenleving, en iedereen die onderdeel wil zijn van dat grotere, pluriforme geheel zal ermee moeten leren leven dat niet iedereen hetzelfde tegen de wereld aan kijkt. Punt.

Cultuurrelativisme? Ach…

Hetzelfde geldt dat eeuwige gewapper met het linkse cultuurrelativisme – alsof we allemaal postmodern ieder geloof in een objectieve standaard kwijt zouden zijn en vinden dat alle culturen in al hun aspecten altijd gelijkwaardig aan elkaar zouden zijn. Niets – echt niets – is minder waar. Er zijn vast nog wel ergens een paar doorgesnoven hardcorepostmodernisten te vinden, maar in de linkse kerk die ik ken, bezingen we toch echt een tamelijk universele standaard – die van de rechten van de mens, de man, de vrouw en het kind. U weet wel.

Voor mij is cultuurrelativisme altijd een relativisme binnen die universele standaard geweest, en hoewel je jaren kan soebatten over hoe zo’n standaard er nou uit moet zien, en over of ie nou echt wel zo universeel is, of toch best wel een beetje westers (en dus in wezen ‘imperialistisch’) – geen multiculturele samenleving kan zonder zo’n gedeelde standaard – samenleven is immers niet hetzelfde als bij elkaar in de buurt wonen. Ik heb eigenlijk nooit zo goed begrepen waarom men denkt dat mensen als ik dat idee niet zouden onderschrijven.

Stropoppen voor de eigen parochie? 

En zo haak ik eigenlijk al bij voorbaat af bij het betoog van Machteld Zee, en bij dat van zoveel andere ‘islamcritici’ omdat ze een stropop bestrijden – een stropop die men vaak zelf bedacht heeft, en waarin men vaak zo is gaan geloven dat men niet meer kan of wil zien dat de realiteit vaak toch wat anders ligt – het applaus van de eigen parochie is daarvoor misschien ook wel te hard.* Daarom, ten overvloede, en voor alle duidelijkheid: natuurlijk hebben we hier een gedeelde standaard, natuurlijk moeten we reële problemen benoemen en aanpakken, natuurlijk moeten we kwaadaardige religieuze netwerken blootleggen en oprollen, en natuurlijk moeten we onfrisse regimes ontmaskeren en isoleren – in tegenstelling tot, pakweg, de VVD vinden we op links vaak weer wel dat principes ertoe doen in het internationale verkeer, en dat mogen ze in pak-hem-beet Saudi-Arabië best wat nadrukkelijker horen.

Maar dat zijn zaken die voor zich zouden moeten spreken. Net zo voor zich als dat het een kenmerk van een multiculturele samenleving zou moeten zijn dat die zaken waarvan je samen vindt dat het niet tot de gedeelde standaard behoort divers, mogen zijn. Over waar precies die grens ligt, en over hoever je inschikt voor elkaar – daarover gaat het debat. Niet over of ‘de islam’ in Nederland hoort of niet, en over of we een multiculturele samenleving zouden moeten willen zijn. Het stadium waarin die vraag relevant was, is reeds veertig jaar geleden gepasseerd.

* Dit is uiteraard met enige frequentie ook omgekeerd het geval – niet minder spijtig, naar mijn smaak.

 

Ga stemmen, en stem vóór dat verdrag

Miko Flohr, 05/04/2016

EuromaidanIk deed vandaag de stemwijzer, en volgens mij heb ik op vrijwel alle stellingen die daadwerkelijk over de inhoud van dat verdrag gingen ‘neutraal’ gestemd. Het enige waar ik écht warm van word, is dat er onder druk van het associatieverdrag in Oekraïne wetten worden aangenomen die er in de toekomst onder meer toe kunnen leiden dat de sociale positie van kwetsbare groepen wat verbetert, en dat het Europese juridische minimum dat hier voor de behandeling van dieren geldt, ook in Oekraïne van toepassing wordt.

Verder lijkt het me een verdrag zoals verdragen zijn, met regels die linksom goede dingen kunnen brengen, en rechtsom perverse effecten kunnen sorteren, en met allerlei losse eindjes waarvan de betekenis pas in de toekomst echt vorm zal krijgen. Ik kan dat, met de beste wil van de wereld, niet beoordelen, hoe grondig ik dat verdrag ook lees. Omdat ik relatief veel vertrouwen heb in onze instituties, heb ik weinig bezwaar. Had ik minder vertrouwen gehad, dan was het anders geweest.

Het gaat dan ook niet om het verdrag, morgen: voor vrijwel niemand in Nederland doet het verdrag er echt toe. Het gaat om vertrouwen, gekrenkte trots, en wantrouwen. Het is een schrille, naargeestige campagne geweest waarin ik het eerste logisch samenhangende argument van het NEE-kamp nog steeds moet horen, en waar ook lieden die ijveren voor een JA-stem zich te vaak hebben laten verleiden off topic en ad personam te gaan. Het gekakel heeft vooral pijnlijk duidelijk gemaakt dat waar we over beslissen niet over onszelf gaat—dat maakt de posities volledig gratuit. Niemand in Nederland zal er wakker van liggen of dat verdrag er komt.

Het is ook procedureel nogal een farce. Niemand heeft de moeite genomen om precies uit te leggen welke ruimte onze regering nog heeft om te manoeuvreren: mocht het Rutte überhaupt behagen te oren te laten hangen naar wat de kiezer morgen mompelen zal, we weten totaal niet wat hij nog vermag. Blokkeren de Nederlandse kiezers straks bij een NEE-stem namens heel Europa (!) delen van dat verdrag? Dat is me nog eens democratie! Krijgen we een uitzonderingspositie? En op welke manier geeft die dan concrete betekenis aan het Nederlandse ‘NEE’? Dat is bijna onmogelijk. Er is, lijkt me, geen daadwerkelijk democratisch eindresultaat voor dit referendum bij een winst voor de Njetski’s.

Er had nooit referendum moeten komen over een wet die niet over onszelf gaat, maar nu het er—langs democratische weg—toch is gekomen, is er maar één acceptabel resultaat dat iedere twijfel weg neemt, namelijk dat we het reeds genomen besluit van onze volksvertegenwoordiging overeind houden. De enige geloofwaardige manier waarop dat kan is door een overwinning voor het JA-kamp. Scheelt ook op zeker een hoop populistisch geronk, de komende jaren.

Om die reden ga ik morgen stemmen, en stem ik vol overtuiging JA. Dat dat met de inhoud van het verdrag vrijwel niets van doen heeft, neem ik dan maar even op de koop toe. Democratie gaat heel erg om principes, maar vaak ook vooral om het electorale resultaat.

 

 

 

Laat ze toch, die mensen van Pegida

Miko Flohr, 07/02/2016

Laat ze toch, die mensen van Pegida. Het is niet mijn volk, dat weet u, en de halfgare, lauwwarme en bij elkaar geharkte kliekjes aan hersenspinsels en waanideeën die we zien op spandoeken en borden maken me misselijk en mismoedig: dat mensen zich nog steeds zo laten misleiden door eenzijdig populistische ophitserij en selectief bijeengewikipediade misinformatie stemt me al treurig zat; dat je dan ook nog op je vrije zaterdag de straat op gaat met teksten als ‘rapefugees not welcome’, ‘against the islamisation of Europe’ en – serieus! – ‘animal lovers against halal’ gaat me totaal de pet te boven. Het is een ranzige treurmars van een klein legertje verknipte angsthazen die een beschaving zeggen te verdedigen die tot henzelf slechts in beperkte mate is doorgedrongen. Althans, de westerse, liberale kernwaarde dat we mensen als individu beoordelen en niet bij voorbaat wantrouwen op grond van hun afkomst wordt hier wel heel erg met voeten getreden. Om het voorzichtig uit te drukken.

Toch moeten we ze laten, die mensen van Pegida. Dat wil zeggen: we moeten hun standpunten bevechten met woorden, argumenten en ideeën. Het kan niet zo zijn dat we in het Europa van 2016 zelfvoldaan toekijken terwijl dergelijke paranoïde en ideologisch gecorrumpeerde gedachtendrek langzaam salonfähig wordt. De onderliggende aannames kloppen niet, de feitenbasis is verwrongen, de conclusies zijn aantoonbaar onjuist of onvolledig, de plannen (voor zover die er überhaupt zijn) zijn onuitvoerbaar, ineffectief en deels inhumaan. Pegida heeft niemand iets te bieden, in het Europa van 2016, en we moeten de gistende angstwanen benoemen (en blijven benoemen) voor wat ze zijn: gistende angstwanen. Dat niet iedereen dat benoemen leuk vindt: soit. Reality is a bitch.

Maar we moeten ze verder vooral laten, die mensen van Pegida. Laat ze ongestoord hun demonstratieve rondje lopen, laat ze zichzelf voor aap zetten met hun idiote spandoeken en hun geretardeerde schijnwaarheden, en laat ze vervolgens in alle rust naar huis gaan met het gevoel dat ze alle vrijheid hadden hun boodschap te brengen, maar dat hun deerniswekkende ode aan de verkniptheid iedereen verder vooral koud liet. Laat ze begaan – ze zijn schraal bier. Niet omdat het strategisch beter is, of omdat het dan vanzelf wel op zal houden, maar omdat vrijheid van meningsuiting een principe is dat niet bestaat om verloochend te worden als het even niet uitkomt. Vrijheid van meningsuiting behelst geen verplichting om te luisteren of een verbod om te negeren; dat ideeën van de pot gerukt zijn, betekent nog niet dat zo’n demonstratie er niet mag zijn.

We moeten consequent liberaal zijn, en blijven. Wie we dan ook zeker niet moeten laten zijn de zichzelf links noemende oproerkraaiers die menen dat ze zich vanwege de ‘goede zaak’ van alles kunnen permitteren. Zo’n Robert (42), van de Internationale Socialisten, die vindt dat Amsterdammers maar ‘zelf op moeten knappen’ wat de politie nalaat – ik heb daar geen woorden voor. Of de zelfingenomen gelijkhebpiercing die het voor de goede zaak essentieel vond om de verslaggeefster van Powned te bespringen – heel mooi dat dat door de politie opgepikt werd, en ik hoop dat hij een passende straf krijgt. Zak. Ook van Jan Roos blijf je af, en niet omdat Jan Roos niet vies is van het uitvergroten van een relletje, maar omdat de verdediging van sociale en liberale waarden geen wederrechtelijke zaak dient te zijn. Dat in huize Bosma grijnzend de champagne ontkurkt wordt als er weer eens een paar linkse malloten een Pegida- of PVV-manifestatie versjteren is feitelijk niet eens een argument: je hebt je simpelweg fatsoenlijk te gedragen als je strijdt voor wat je kernwaarden van onze beschaving vindt. En sowieso, natuurlijk.

Het is in principe goed dat we met ‘links’ tegendemonstreren, het is goed dat we fel zijn op de regressieve onheilsleer van de protesterende xenofoben, en het is prima (doch niet per se essentieel) om te laten zien wat voor extremistische vlaggenwapperaars er achter de organisatie van Pegida zitten, maar als tegendemonstraties tuig blijven aantrekken dat zich niet gedragen kan, moeten we er misschien nog maar eens goed over nadenken of dit wel de beste weg is om de boodschap van progressieve solidariteit te berde te brengen. Laat Pegida dan zichzelf maar voor schut zetten. In stilte.

Een echt vrij debat biedt ook ruimte aan onwelgevallige meningen

Miko Flohr, 25/11/2015

Het is weer eens huilen met de pet op, met ons vrije woord, geloof ik. Althans, als we het betoog van Dieuwertje Kuipers en Geerten Waling mogen geloven staan we aan de vooravond van de volgende politiek correcte revolutie die ons allen de mond zal snoeren en ieder verder debat zal fnuiken. Dat zou inderdaad heel zorgelijk zijn. De vrijheid je uit te spreken en, indien nodig, anderen verbaal uit hun comfortzone te slingeren, is me nogal een groot goed, dat we met hand en tand moeten verdedigen, hoe verwerpelijk of affreus we ook vinden wat we horen.

Ik vraag me echter af of het allemaal nou echt zo erg gesteld is met dat vrije woord in Nederland. Ik hoor al ettelijke jaren allerlei zelfverklaarde Cassandras roepen dat het einde van het vrije debat nu écht nakende is, maar voorlopig is de dominante ontwikkeling in Nederland er vooral een van meer meningen, meer lawaai over meningen, en een steeds verdere normalisering van voorheen extreme posities – aan alle kanten van het debat. Het enige dat niet verdwenen is, is de drang andermans mening wegens onwelgevallig buiten het debat te plaatsen, maar die drang lijkt niet voorbehouden aan één bepaalde politieke stroming. Velen hebben er last van. Dat is jammer, maar zo is een vrij debat: eenieder heeft het recht dat naar eigen goeddunken te voeren – op vorm, of op inhoud.

Wat me ronduit verbaast in het pleidooi van Kuipers en Waling zijn de voorbeelden die genoemd worden om te illustreren dat de malligheden die we aan Amerikaanse universiteiten zien ook in Nederland aan de orde zijn. Maken de mensen die zich de laatste jaren uitspreken tegen Zwarte Piet zich en masse schuldig aan intimidatie en intolerantie? Ik ken weinig voorbeelden die daarop duiden. Er is veel intimidatie en intolerantie rondom Zwarte Piet, maar het meeste komt toch echt van de zelfverklaarde vrienden van Zwarte Piet – volwassenen die dreinend als kinderen ten strijde trekken voor hun eigen jeugdherinneringen. Ook daarvoor geldt echter dat, behoudens enkele uitzonderingen, het meeste valt onder de vrije meningsuiting. Zoals Kuipers en Waling zelf terecht stellen: een vrij debat kwetst altijd gevoelens. Ook die van witte mensen met een zwak voor zwarte piet.

Ook het reeds veelbesproken ‘Black Twitter’-stuk wordt opgevoerd als voorbeeld van de manier waarop het vrije publieke debat ondermijnd wordt. Dat is volstrekt onzin. Ook hier geldt: de (schrille) roep van sommigen dat anderen even zouden moeten luisteren en hun mond zouden moeten houden is onderdeel van het vrije debat: eenieder is vrij die oproep ter harte te nemen, te negeren, of te vuur en te zwaard te bestrijden. Persoonlijk zou ik het, in hun positie, hebben gelaten bij een oproep goed en welwillend te luisteren, maar zij zijn vrij in hun afweging, en beperken daarmee niemand.

Dan de universiteiten. Hier gaat het betoog van Waling en Kuipers echt een beetje wringen. De stelling dat er allerlei lezingen worden afgelast om de ophef wordt niet onderbouwd, net als de boude bewering dat we in Nederland studieprogramma’s aanpassen aan de lange tenen van studenten. Waarom staat de academische vrijheid op het spel als een onbenul zonder kennis van zaken roept dat ze bij oudheidkunde een racistische blik op het verleden hebben? Het verwijt is baarlijke nonsens, en misschien niet leuk voor de betrokken docenten, maar ook hier geldt wat Kuipers en Waling zelf zeggen: de universiteit is geen safe haven – ook niet voor oudheidkundigen. Vrij debat is ook: omgaan met aantoonbare bullshit – al is het alleen maar omdat eens in de zoveel tijd iets dat op het eerste gezicht aantoonbare bullshit lijkt te zijn, bij nadere inspectie het paradigma doet verschuiven. Vrij debat in combinatie met feilbare mensen maakt heel veel gepruttel, en af en toe een pareltje.

Ook het inrichten van stilteruimtes aan universiteiten vormt geen enkel beletsel voor de vrijheid van de wetenschap. Over het besluit van de UvA om toch maar wel tegemoet te komen aan de actievoerders kun je van alles zeggen, maar niet dat het directe invloed heeft op wat docenten mogen doceren, en onderzoekers mogen onderzoeken. Het faciliteert vrijheid eerder nog dan dat het vrijheid inperkt. Wil je graag kakelen of schreeuwen, dan ga je niet naar die ruimtes. Wil je stilte of gebed, dan kun je nu ergens heen. Het is mijn prioriteit net zo min als het die van Kuipers of Waling blijkt te zijn, maar het is potsierlijk te doen of die stilteruimtes een stap zijn op weg naar een ideologische inkadering van ons academische denken.

Kuipers en Waling hameren erop dat het vrije debat niet voor watjes is, maar ondertussen benadrukken ze, alinea na alinea, wat er allemaal gezegd wordt dat eigenlijk niet gezegd zou moeten worden. Daarmee doen ze precies waarvoor ze pogen te waarschuwen – andere meningsuitingen wegens bedreigend buiten het debat plaatsen – en voeren ze het debat op vorm, niet op inhoud. Dat is erg jammer, en het laat de lezer een beetje achter met de vraag wat volgens hen nou precies die vrijheid behelst, die ze met hand en tand zeggen te verdedigen.

 

Beste meneer van de flessenpost uit West-Friesland,

Miko Flohr, 22/10/2015

Ik heb uw brief op GeenStijl met belangstelling gelezen. Hij was niet aan mij gericht, en ik herken niet alles wat u schrijft, maar het was de moeite waard een schrijven te lezen dat een onderwerp dat ook mij aan het hart gaat vanuit het tegenovergestelde perspectief belicht, en zulks in nette woorden. Laat ik er geen doekjes om winden: ik denk dat ik zo links ben als u zegt rechts te zijn, en ook ik maak mij grote zorgen om wat er in Nederland gebeurt, en hoe de media daarover rapporteren.

Soms schaam ik mij over hoe lomp en onsympathiek mensen van mijn mening zich af en toe kunnen uiten, en te vaak negeer ik dat. Het voorbeeld dat u aanhaalt, over de columnist die even terloops een van de populairste politici van dit land in gedrukte inkt wegzet als ‘blonde satan’ stuit ook mij tegen de borst, al moet ik bekennen dat ik de betreffende column zo richtingloos vond kabbelen dat ik de locus delicti in de laatste alinea niet gehaald heb. ‘Blonde satan’ is niet hoe we in Nederland debat moeten voeren, en met dit soort uitingen zet zo’n columnist vooral ons, op links te kijk.

Toch vond ik het frappant dat u zo sterk het gevoel heeft dat de journalistieke mainstream zo links zou zijn. Mijn gevoel, en zorg, is precies de tegenovergestelde: na de moord op Fortuyn zijn redacties in paniek geraakt en geven ze vooral veel, heel veel ruimte aan alles dat rechts, conservatief en populistisch is. Het overheersende mediaframe in Nederland is voor mij dan ook helegaar niet PvdA-links, maar CDAVVD -rechts. Dat was het altijd al, en dat is zeker niet minder geworden. Ergens herken ik uw gevoel dus heel goed. De media bedienen mijn positie net zo slecht als u meent dat de uwe aan bod komt.

U heeft volledig gelijk dat er een groot verschil is tussen bezwaren hebben tegen de influx van vele duizenden vluchtelingen en het omarmen van verwerpelijk gedachtengoed. Het is volledig legitiem om niet dolenthousiast te worden van de vluchtelingenstroom die richting Europa trekt. Ik word er overigens ook niet per se blij van: velen zouden beter af zijn als er voor die mensen perspectief in de regio was, maar dat is niet zo, en dat zal voorlopig ook nog wel even niet zo zijn, en wat moeten die mensen dan? Je kan niet eeuwig in de pauzestand leven, en voor mijn gevoel hebben we hier nogal wat ruimte en middelen om iets voor een deel van die mensen te doen. Maar goed, ik zal u op dit punt wellicht niet overtuigen – daar gaat het ook niet om. We kunnen het respectvol oneens zijn, lijkt me.

Mijn zorgen betreffen niet het feit dat er weerstand is tegen de komst van vele vluchtelingen: dat die weerstand er is, is denk ik wel goed, ook al deel ik hem niet. Het is goed als je als samenleving alle voors en tegens mobiliseert, en op basis daarvan beslissingen neemt. Dan helpt het niet als iedereen dezelfde mening toegedaan is – integendeel. Voor mezelf sprekend: ik ken mezelf goed genoeg om te weten dat mijn meningsvorming niet onfeilbaar is, en met de nodige regelmaat aan tegenargumenten onderworpen dient te worden. Op zich heb ik het wat dat betreft trouwens als GroenLinkser nog best makkelijk: tegenwind genoeg.

Wat ik veel problematischer vind dan de inhoudelijke weerstand is dat van een fatsoenlijk gesprek allang geen sprake meer lijkt te zijn. U klaagt over de kwalificaties die mensen met uw mening toegeschreven krijgen, voor mensen met mijn mening is het niet veel beter. Gutmensch, fatsoensfascist, landverrader – you name it: in maaiveldland Nederland is anno 2015 vrijwel iedere mening goed voor een boosaardig adjectief. Deels is dat een kwestie van een stukje olifantenhuid, maar helemaal wennen doet het eigenlijk ook weer niet.

Wat ik wil zeggen: vrijwel niemand in Nederland verdient diabolische superlatieven vanwege zijn mening alleen. Waar het mis gaat, is in wat men ermee doet, en de superlatieven die ik de afgelopen weken gebruikt heb (en dat zijn er nogal wat), die hebben betrekking op de totaal waanzinnige manier waarop sommige tegenstanders van AZC’s zich momenteel uiten. Randracistische leuzen kladden. Uitschelden en uitjouwen. Roepen dat er dringend een piemel in moet. Dreigen met geweld tegen kinderen. Stenen door ruiten. Een politicus die herhaaldeijk zijn goedkeuring laat blijken over het ‘verzet’ waartoe hij zelf opriep, steeds net – netaan – binnen de marges van het betamelijke. Dat zijn zaken die we in Nederland niet dagelijks mee maken, en die ik als ontzettend zorgelijk ervaar, en met mij velen.

De achterliggende mening van dat tuig mag nog zo legitiem zijn, als we er met elkaar uit willen komen in Nederland, dan rest er maar een oplossing: als normale mensen onder elkaar de meningsverschillen even opzij schuiven en van nu af consequent het kaf van het koren scheiden, zodat we met elkaar kunnen praten zonder dat het agressieve tuig de verstandige burgers het woord en de camera ontneemt. Geen guilt by association, geen vergoeilijkende woorden, geen concessies: men doet normaal en beleefd, of men doet niet mee aan het debat. Consequent handhaven van basale fatsoensnormen, zo u wilt. Ik ben daar niet op tegen. En god, wat zou het mooi zijn als de media ons daarbij zouden helpen.

Ik denk namelijk dat als we als normale, verstandige mensen met elkaar praten, er best wat gevoelens van onbehagen weg te nemen vallen – en dat gaat niet alleen over de uwe, maar ook over de mijne.

Vriendelijke groeten,

 

Miko Flohr.

Alles op z’n tijd

Miko Flohr, 19/08/2015

De dreumes is druk in de weer in het peuterbadje. Gietertjes, emmertjes, schepjes, en water dat zorgvuldig van het ene object naar het andere verplaatst wordt.

Of hij misschien van de grote glijbaan af wil, want dat was toch zo leuk?

‘Nee!’

Geen sprake van. Het idee alleen al! We proberen het nog een paar keer, zo om de paar minuten. Ik waag het zelfs om hem op een gegeven moment uit het water te plukken en een paar passen die kant uit te lopen. Driftig spartelend:

‘Nee! Af! Nee! Af!’

Met mama dan?

‘Nee! Peuterbadje!’

Een half uur later – we hebben het inmiddels allang opgegeven en laten de peuter lekker peuteren – stapt de dreumes opeens kordaat het peuterbadje uit en loopt linea recta naar de glijbaan. Ik ben er nog net op tijd bij. Daar gaan we.

‘Pjons! Hahahaha! Nog keertje! Nog keertje!’.

En zo geschiedde. Zesenveertig keer achter elkaar. Alles op z’n tijd, papa.