Een echt vrij debat biedt ook ruimte aan onwelgevallige meningen

Miko Flohr, 25/11/2015

Het is weer eens huilen met de pet op, met ons vrije woord, geloof ik. Althans, als we het betoog van Dieuwertje Kuipers en Geerten Waling mogen geloven staan we aan de vooravond van de volgende politiek correcte revolutie die ons allen de mond zal snoeren en ieder verder debat zal fnuiken. Dat zou inderdaad heel zorgelijk zijn. De vrijheid je uit te spreken en, indien nodig, anderen verbaal uit hun comfortzone te slingeren, is me nogal een groot goed, dat we met hand en tand moeten verdedigen, hoe verwerpelijk of affreus we ook vinden wat we horen.

Ik vraag me echter af of het allemaal nou echt zo erg gesteld is met dat vrije woord in Nederland. Ik hoor al ettelijke jaren allerlei zelfverklaarde Cassandras roepen dat het einde van het vrije debat nu écht nakende is, maar voorlopig is de dominante ontwikkeling in Nederland er vooral een van meer meningen, meer lawaai over meningen, en een steeds verdere normalisering van voorheen extreme posities – aan alle kanten van het debat. Het enige dat niet verdwenen is, is de drang andermans mening wegens onwelgevallig buiten het debat te plaatsen, maar die drang lijkt niet voorbehouden aan één bepaalde politieke stroming. Velen hebben er last van. Dat is jammer, maar zo is een vrij debat: eenieder heeft het recht dat naar eigen goeddunken te voeren – op vorm, of op inhoud.

Wat me ronduit verbaast in het pleidooi van Kuipers en Waling zijn de voorbeelden die genoemd worden om te illustreren dat de malligheden die we aan Amerikaanse universiteiten zien ook in Nederland aan de orde zijn. Maken de mensen die zich de laatste jaren uitspreken tegen Zwarte Piet zich en masse schuldig aan intimidatie en intolerantie? Ik ken weinig voorbeelden die daarop duiden. Er is veel intimidatie en intolerantie rondom Zwarte Piet, maar het meeste komt toch echt van de zelfverklaarde vrienden van Zwarte Piet – volwassenen die dreinend als kinderen ten strijde trekken voor hun eigen jeugdherinneringen. Ook daarvoor geldt echter dat, behoudens enkele uitzonderingen, het meeste valt onder de vrije meningsuiting. Zoals Kuipers en Waling zelf terecht stellen: een vrij debat kwetst altijd gevoelens. Ook die van witte mensen met een zwak voor zwarte piet.

Ook het reeds veelbesproken ‘Black Twitter’-stuk wordt opgevoerd als voorbeeld van de manier waarop het vrije publieke debat ondermijnd wordt. Dat is volstrekt onzin. Ook hier geldt: de (schrille) roep van sommigen dat anderen even zouden moeten luisteren en hun mond zouden moeten houden is onderdeel van het vrije debat: eenieder is vrij die oproep ter harte te nemen, te negeren, of te vuur en te zwaard te bestrijden. Persoonlijk zou ik het, in hun positie, hebben gelaten bij een oproep goed en welwillend te luisteren, maar zij zijn vrij in hun afweging, en beperken daarmee niemand.

Dan de universiteiten. Hier gaat het betoog van Waling en Kuipers echt een beetje wringen. De stelling dat er allerlei lezingen worden afgelast om de ophef wordt niet onderbouwd, net als de boude bewering dat we in Nederland studieprogramma’s aanpassen aan de lange tenen van studenten. Waarom staat de academische vrijheid op het spel als een onbenul zonder kennis van zaken roept dat ze bij oudheidkunde een racistische blik op het verleden hebben? Het verwijt is baarlijke nonsens, en misschien niet leuk voor de betrokken docenten, maar ook hier geldt wat Kuipers en Waling zelf zeggen: de universiteit is geen safe haven – ook niet voor oudheidkundigen. Vrij debat is ook: omgaan met aantoonbare bullshit – al is het alleen maar omdat eens in de zoveel tijd iets dat op het eerste gezicht aantoonbare bullshit lijkt te zijn, bij nadere inspectie het paradigma doet verschuiven. Vrij debat in combinatie met feilbare mensen maakt heel veel gepruttel, en af en toe een pareltje.

Ook het inrichten van stilteruimtes aan universiteiten vormt geen enkel beletsel voor de vrijheid van de wetenschap. Over het besluit van de UvA om toch maar wel tegemoet te komen aan de actievoerders kun je van alles zeggen, maar niet dat het directe invloed heeft op wat docenten mogen doceren, en onderzoekers mogen onderzoeken. Het faciliteert vrijheid eerder nog dan dat het vrijheid inperkt. Wil je graag kakelen of schreeuwen, dan ga je niet naar die ruimtes. Wil je stilte of gebed, dan kun je nu ergens heen. Het is mijn prioriteit net zo min als het die van Kuipers of Waling blijkt te zijn, maar het is potsierlijk te doen of die stilteruimtes een stap zijn op weg naar een ideologische inkadering van ons academische denken.

Kuipers en Waling hameren erop dat het vrije debat niet voor watjes is, maar ondertussen benadrukken ze, alinea na alinea, wat er allemaal gezegd wordt dat eigenlijk niet gezegd zou moeten worden. Daarmee doen ze precies waarvoor ze pogen te waarschuwen – andere meningsuitingen wegens bedreigend buiten het debat plaatsen – en voeren ze het debat op vorm, niet op inhoud. Dat is erg jammer, en het laat de lezer een beetje achter met de vraag wat volgens hen nou precies die vrijheid behelst, die ze met hand en tand zeggen te verdedigen.