Professor Cliteur en de rol van academici in het publieke debat

Miko Flohr, 03/08/2017

Ik heb ergens een zwak voor mensen met intrinsieke maatschappelijke bevlogenheid. Of ik het nu met ze eens ben, of niet—vanuit de grond van je hart iets vinden over deze wereld en daar serieus werk van maken is iets dat uiteindelijk veel te weinig mensen gegeven is. Op een bepaalde manier had ik dan ook altijd wel respect voor Paul Cliteur. Zijn ideologische positie is niet de mijne, maar hij zorgt voor zover ik dat kan zien goed voor zijn idealen, heeft een substantiële groep mensen om zich heen verzameld, en draagt al jaren bij aan allerlei debatten. Cliteur regelde eigenhandig geld voor de promotie van Machteld Zee (van anonieme donoren), en stond als promotor en aanjager aan de basis van de carrière van Baudet. Daar valt heel veel over te zeggen, maar volgens mij handelt Cliteur daarin vanuit een oprecht ervaren, intrinsieke, persoonlijke motivatie, en gebruikt hij volkomen legitieme middelen. Ik heb daar, ergens, oprechte bewondering voor: als je vanuit bevlogenheid school wil maken op het kruispunt van academie en samenleving, dan is Cliteur op praktisch niveau in vele opzichten simpelweg een voorbeeld. In principe.

Het is ook belangrijk dat wetenschappers zich uitspreken over de wereld buiten hun academische niche. Dat levert van meerdere kanten weerstand op—buitenstaanders horen je liever praten over zaken waar je ‘echt iets van weet’, en ook onder academici is er terughoudendheid om als academicus stelling te nemen over (politiek) gevoelige onderwerpen. Ik ben zelf lang bang geweest (en anderen voor mij) dat al die uitgesproken meningen, publiekelijk uitgevent op allerlei platforms een nagel aan mijn academische doodskist zouden worden. Het is niet zo gelopen gelukkig, maar het was ook een bewuste keuze om het niet te laten—niet alleen wegens apert burgerschap, maar ook omdat je juist als academicus vanuit belezenheid en ervaring soms argumenten kan aanleveren die ertoe doen. Er is geen enkele reden om daarin terughoudend te zijn: daarvoor ben je opgeleid als wetenschapper, en dat overstijgt specialisatie en vak. Het debat wordt beter als intellectuelen ook meedoen.

Ik denk alleen wel dat er aan academici terecht hogere eisen worden gesteld, zeker als ze—zoals Cliteur nu min-of-meer wekelijks doet—opiniestukken schrijven met een nadrukkelijk beroep op hun academische titel. Niet aan die eisen voldoen slaat bovendien terug op de hele beroepsgroep: een flink deel van het sociale kapitaal van ‘de academie’ staat of valt met de bijdragen die wij, academici, leveren aan allerlei maatschappelijke debatten. In dat licht maak ik me zorgen over de recente bijdragen van Cliteur en niet omdat hij een ideologische positie inneemt die niet verdedigd zou mogen worden, maar omdat hij bij voortduring vertrekt vanuit feiten en aannames die de toets der kritiek—to put it mildly—maar matig kunnen doorstaan. Ik geef drie voorbeelden.

In zijn stuk van 2 augustus over ‘occidentofobie’ rept Cliteur over een wijdverbreide ‘haat jegens wat we zijn’ zonder te specificeren hoe wijdverbreid die zelfhaat wel niet is, bij wie die zit, en hoe die zich concreet manifesteert in onze samenleving. Hij beweert dat die zelfhaat ons ‘zwak’ zou maken, maar legt niet uit hoe. Hij beweert dat ‘we’ denken dat onze cultuur relatief is omdat we vinden dat ‘alle culturen gelijk zijn’, maar vergeet daarbij schijnbaar dat dat op gespannen voet staat met de zeker in progressieve kringen brede populariteit van de universele (en dus absolute) rechten van de mens.

Eerder, in zijn column van 28 juli, introduceert Cliteur het begrip ‘racificatie’, en stelt dat we daar in onze samenleving in toenemende mate last van hebben: verzet tegen migratie zou en masse als ‘racisme’ worden betiteld, en ‘racificatie’ zou—ik moest twee keer kijken maar het staat er echt—door ‘people of color’ als carrièrestrategie worden gebruikt. Geen toelichting, geen namen, geen rugnummers. Geen onderbouwing—de lezer moet het doen met het humeur van Cliteur. Ik had zelf eerder het idee dat de verbale en argumentatieve uitwassen van sommige immigratiekritiek als ‘racistisch’ werden bestempeld, en niet zozeer het ‘verzet’ zelf.

In een recensie van Paul Nielsens ‘How to debate the Left on Islam’ (17 juli) rept Cliteur tenslotte over de ‘politiek-correcte islam-apologeet’—zijn taalgebruik maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een endemische diersoort die alomtegenwoordig is, en die in Nederland de facto het discours domineert. Argumenten ontbreken ten enen malen. Het is een beetje hallucinant, eigenlijk: ons integratiedebat wordt al jaren gedomineerd door conservatieve scherpslijpers, overheidsbeleid schuift alleen maar verder op naar rechts, en men blijft maar roepen dat de politiek correcte islamapologeten hier de dienst uit maken.

Nogmaals: wat stoort is niet de ideologische positie—laat Cliteur vooral met goede argumenten uitleggen hoe hij de wereld ziet. Wat stoort is het gebrek aan onderbouwing van essentiële basisaannames—denkt iedereen wel de dingen die Cliteur hen in het hoofd legt? Zijn wij progressieven allen islamapologeten? Vinden wij cultuurrelativisten echt allemaal dat er geen goed en kwaad bestaat in de wereld? Wordt het woord ‘racisme’ echt zo misbruikt? Ik herken daar vrij weinig van—noch bij mezelf, noch in mijn omgeving, noch in het debat als zodanig. Het lijkt erop dat Cliteur soms wel erg vrijelijk met andermans mening omspringt. Als collega-academicus stoor ik mij daaraan. Ik vind dat je van een academicus wat meer mag verwachten dan dit soort gemakzuchtige stropoppen, en ik hoop ook dat Cliteur zich, als hij dit soort stukjes schrijft, ten volle bewust is van niet alleen de academische vrijheid die wij allen zo hoog in het vaandel hebben, maar ook van de verantwoordelijkheid die het publiekelijk voeren van een doctorsgraad en een hoogleraarstitel met zich meebrengt.